Indische
Harderwijkers

▲▲▲▲

OGB Design
Welkom Laatste Nieuws KUMPULAN Foto en Film Muziek Familie Albums Onze Veteranen Toen en Nu ... Historie Indische Cultuur Boeken Sociale Media Sponsoren Links Onze Nieuwsbrief Pasar Malam 2017 Contact
Onze Veteranen

KEBON SALADAH


Korps H.W. Beerekamp, 1e Divisie “7 December” veldposkantoor Batavia


Te Velde, 14 februari 1947


Het was op dit gewijde plekje gronds, dat de wijze Vorst van de Gedeh, Raden Soeria Kentjana, een. de machtige heerser over het gebied, dat aan de voet ligt van de allesbeheersende Goenoeng Gedeh, het was hier, dat deze vorst de offeranden bracht aan de Goden. Nòg zijn er de platte offerstenen onder de eeuwenoude hoge waringin, maar de wildernis heeft er het dodenkleed van allerlei woekergewassen overheen gespreid. De weinige kampongbewoners, die de traditie getrouw (hun voorvaders waren de priesters van dit heiligdom), bij deze plaats zijn blijven wonen, kunnen u de mysterieuze verhalen en legenden, die rondom deze plaats geweven zijn, met Oosterse eerbied vertellen. De jaren, de eeuwen zijn voorbijgegaan, maar de fragmenten der historie zijn gebleven. Kebon Saladah, “De Tuin van de Waterkers” heeft veel meegemaakt. Als de oude waringin kon spreken . . . Tussen de naakte rotsen en de weelderige plantengroei van Kebon Saladah borrelt kristalhelder water omhoog: de negen bronnen van de Tjiboerial, temidden van het Oerbos van Kebon Saladah.


OGB DesignIn 1921 viel het oog van het Nederl. Gouvernement op deze uiterst vochtrijke hoek op een uitloper van de Salak. De watervoorziening voor Buitenzorg en Batavia liet nog wel het een en ander te wensen over. De bronnen van Kebon Saladah konden het zo hoognodige water wel leveren. maar .... Dit heilige plekje grond kon maar niet zo geëxploiteerd worden: dat zou een belediging zijn voor de “adat” der omwonende inlanders. Er werd een conferentie belegd met de dessahoofden en andere belangrijke persoonlijkheden uit de omgeving. Tenslotte kwam men tot overeenstemming, de bouw van het ingenieuze irrigatiewerk kon beginnen. Maar eerst moesten de goden met een grootse selamatan (inheems feest) verzoend worden. In 1931 kon de hete, dorstende stad Batavia van water voorzien worden. Wederom was er een mijlpaal bereikt in de historie der Nederl. Waterbouwkunde, waarvan helaas in de laatste jaren in Indië weer zoveel verloren is gegaan.


Ook Kebon Saladah ontkwam niet aan de verwoestingen der oorlog. De japanners kwamen, namen natuurlijk ook bezit van dit station, maar verwaarloosden, zoals overal elders in Indië het geval is geweest, ook dit schone werk op een schandalige manier. De capaciteit liep in een schrikbarend snel tempo terug en tegen de tijd. Dat aan de Japanse machtsdroom voor goed een einde was gemaakt, leverden de negen bronnen van Kebon Saladah practisch niets meer op. Toen kwam de “Merdeka­ periode” met haar heilloze gevolgen. De extremisten, die van de Westerse beschaving niets wilden weten, voltooiden het vernielingswerk. Bij de komst der Engelse troepen in dit gebied, vonden deze nog slechts de schamele resten van dit irrigatiewerk, de kampongs in de omgeving platgebrand en de bevolking “geëvacueerd”. Wederom kreeg Kebon Saladah een nieuwe bezetting: de Brits­-lndiërs. Aanvankelijk werd er een begin gemaakt met het herstel van de installaties, maar op de bekende halfslachtige manier, die het gehele optreden van deze heren kenmerkte. Spoedig werden de pogingen gestaakt: waarom zouden zij zich eigenlijk druk maken? Het was toch veel makkelijker om je wapen voor eten te ruilen? Enfin, hierover zal ik maar zwijgen.


November 1946 kwam. De Engelse en Brits­-lndische troepen verlieten Indië, ook Kebon Saladah. Enkele dagen later kreeg deze plaats weer nieuwe bewoners. Een veteranen compagnie van het K.N.I.L. nam het bivak over. Kleine, donkere soldaten, die hun tehuis inrichtten in de lekkende tenten tussen de rotsblokken, waar de murmeling van het stromend water zich mengde met het ruisen van het oerbos rondom. Hier zaten zij, Javanen, Ambonezen, Timorezen, Bataks, stoere kerels, die de ellende van de Japanse gevangenkampen overleefd hadden en nu met hernieuwde strijdlust zich ingezet hadden in de strijd voor vrijheid en recht in hun eigen vaderland. Wederom werd er een aanvang gemaakt met het herstel der zwaar beschadigde installaties. De inmiddels teruggekeerde inlanders, die hier vroeger ook gewerkt hadden, hielpen een handje mee. Een Nederlandse ingenieur verscheen op het toneel en begon het schijnbaar hope loze werk met de vaste wil om er iets goeds van te maken. Nu, drie maanden later, werkt het station al weer, al is het dan lang niet met de vooroorlogse capaciteit.


Ongeveer een maand geleden, kwam ik op een avond in dit bivak van rotsen, water, lianen en muskieten. Het was een prachtige. stille tropen avond. Vanuit een hoek van het uitgestrekte bivak klonk de melodieuze sentimentele muziek van een gitaar me tegemoet. Midden in dit oerbos, ver van de beschaafde wereld, zaten ze hier, de jongens van het K.N.I.L., hun heimwee weg te zingen en te spelen. Een honderdtal meters verder zaten twee Ambonezen in een stelling achter palissaden, van waaruit de bren grimmig de duisternis in staarde.


Hier kwam je in aanraking met de realiteit van het leven, zoals het deze jongens dagelijks geserveerd wordt. Een week geleden vertrokken onze bruine wapenbroeders naar elders. Naar de demarcatielijn, waar hun nog zwaarder werk wachtte. Weer kwamen er nieuwe bewoners: de jongens met de “ontploffende granaat" op hun vechtpet, de Grenadiers van de “7 Dec. Divisie”. Rasechte “Mokumers” en Friezen, Brabanders en Hagenezen. De wacht werd overgenomen. Er verscheen een heel klein bordje bij de ingang van het bivak: 2e - III Reg. Grenadiers. Nu zijn onze Hollandse jongens de bewoners. Ook zij hebben te kampen met dezelfde moeilijkheden als hun voorgangers. De intense leegheid, de geestdodende eentonigheid van het rimboeleven. Gescheiden van huis en haard, leven zij daar op een ongeweten plekje grond en zitten in de avond in een onverlichte tent, met de benen gekruist onder zich op de veldbedden. De vochtige bergwind waait mist- en regenflarden binnen en doorweekt elke soldaat. Ook in Indië kan het nat en koud zijn! En uit de grauwe leegte klinkt het eenzame lied van een gitaar of een accordeon. Hier zitten Piet Jansen uit Utrecht, Douwe Kamsma uit Oudega en Gerrit van Boven uit Venlo, heel broederlijk bij elkaar. Hier zitten onze jongens in het brongebied van de Tjiboerial. Zij doen hun plicht, het wordt hen niet gemakkelijk gemaakt. maar zij weten nu waarvoor zij de verre reis moesten maken. Zij hebben slechts een wens: dat zij niet vergeten worden in het Moederland. De jongens van Kebon Saladah, de Tuin van de Waterkers …


(Overgenomen van ”Nunspeet Vooruit” vrijdag 14 maart 1947)