Indische
Harderwijkers

▲▲▲▲

OGB Design
Welkom Laatste Nieuws KUMPULAN Foto en Film Muziek Familie Albums Onze Veteranen Toen en Nu ... Historie Indische Cultuur Boeken Sociale Media Sponsoren Links Onze Nieuwsbrief Pasar Malam 2017 Contact
Onze Veteranen

HERMAN SCHADDENHORST (1925)


Harderwijker Herman Schaddenhorst woont met veel plezier in zijn Harderwijk. Waar hij nog met veel moeite naar terug kijkt is de periode van de Tweede Wereldoorlog. Herman moest tijdens de Duitse bezetting in de tweede helft van 1943 dienst nemen bij de “Arbeitsdienst”. De bezetter bood deze “vrijwilligers” de mogelijkheid in ruil voor zware arbeid wat eten in huis te halen. Daar verrichte hij werkzaamheden zoals het omspitten van de heidevelden en het rooien van aardappels. Hij was vaak te vinden op een boerderij in Stadskanaal. “We hadden heel weinig verlof en ik durfde ook niet in dit uniform op straat.”


Op 2 mei 1946 is Herman als dienstplichtig soldaat in de Jan van Nassaukazerne in Harderwijk opgekomen. “Ik was daar tijdens de opleiding behoorlijk door Engelse instructeurs afgeknepen hoor. Na mijn opleiding verhuisde ik naar Schoonhoven en via dit Depot Nazending bij de infanterie-eenheid van de Grenadiers ingedeeld. Wanneer er een schip beschikbaar was, werden we ingedeeld en ingescheept. Voordat we vertrokken wandelde ik nog vaak met mijn lief in mijn tropenpak in de besneeuwde haven van Harderwijk, maar 1946-1947 was een bijzonder strenge winter.


         


Het avontuur

In 1947 vertrok ik dan eindelijk. Na de overtocht kwam ik in kampong Tjiemas, een gehucht in de omgeving van de Wijnkoopbaai terecht. Ik kwam er aan vlak na de 1e Politionele Actie. Na een tijd werd ik als korporaal sectiecommandant en bediende vaak een Vickers, een watergekoelde mitrailleur. Net als veel collega's liep ik er ook 'malaria tropica' op. Dit had een funeste uitwerking op je gestel en ik kwam twee maanden lang in het hospitaal in Tjewadak te liggen. Overigens was het eten wat ons daar werd opgediend niet om naar huis te schrijven. Ik vroeg soms een baboe om enkele bananen voor me te kopen of ik kreeg van een Ambonees die bezoek kreeg van zijn vrouw, iets extra's toegestopt.


     


“Ik heb gedurende anderhalf jaar met verschillende patrouilles meegelopen. Vooral de patrouillegang bij nacht vergde veel van je. Het was uitkijken geblazen voor onverwachtse hinderlagen en gejoechjachte. Bij een van die nachtelijke patrouilles stuitten we op enkele peloppors die met voorladers waren uitgerust. Die wacht lag te slapen en onze commandant kwam in actie. Een ging neer en de overigen gingen op de vlucht. Dat gebeurde in de omgeving van de Wijnkoopbaai. Die lui hadden daarvoor een plantage overvallen en in brand gestoken. Tijdens de patrouilles moest je ook uitkijken wat je dronk. Mijn voorganger was net overleden door het drinken van besmet water. Je kon ook niet teveel kokosmelk drinken, want dat had de uitwerking van alcohol en in die hitte dus funest.


Voetballen was mijn uitlaatklep. Op een afgegraven terrein konden we een veldje maken.

Wat we ook dikwijls deden was het afschieten van wilde varkens. Sommige planters vroegen ons wel eens om er een af te schieten, ze lusten wel eens iets anders dan de gewone dagelijkse pot. Ook de mensen in de dorpen vroegen ons om af en toe eens te komen jagen want die dieren veroorzaakten veel schade in die bananen- en rubberplantages door hun gewroet.  


Op naar huis

Voor mijn terugkeer moest ik een jaar nadienen bij 4-8 R.I. omdat ik tijdens mijn diensttijd nog niet lang genoeg in Nederlands-Indië had gediend”.

In april 1950 keerde hij naar Nederland terug met de Volendam.

“We sliepen vaak in een van de ruimen op de grond, want door het slapen in de hangmatten kreeg je stijve knieën. Ik ben daar in die jaren wel een ander mens geworden.”


Na de periode in Indië ging Herman als buschauffeur bij de VAD aan het werk. Dat duurde zo'n vier, vijf jaar waarna hij als schilder bij zijn vader aan de slag ging. Daarna ging hij verder bij Jo Vis, die als aannemer een schildersbedrijf runde. Dit heeft hij 24 jaar gedaan waarna hij op 63 jarige leeftijd met deze werkzaamheden is gestopt.


In 1951 trouwde hij met zijn buurmeisje uit de Vismarkt, Klazina Foppen. “Ja, een veel voorkomende naam in Harderwijk. Klazina's vader was ook een echte visser. Na ons huwelijk gingen we bij haar ouders in de kost, omdat we geen eigen huisje konden krijgen. Dat hebben we jaren volgehouden totdat we voor 13.000 gulden een huisje in Harderwijk konden kopen. We hebben drie jongens gekregen, waarvan er één helaas is overleden.


Ons huis hebben we net op tijd voor de crisis in 2003 verkocht. Inmiddels woon ik al zo'n tien jaar met veel plezier in de Zwaardmeen. Helaas is mijn vrouw in 2007 overleden.”

Klik op een foto voor een uitvergroting